Het Verdronken Land van Saeftinghe ligt in een estuarium: een riviermonding die onder invloed staat van de zee. Het zoete water van de rivier de Schelde ontmoet hier het zoute water van de Noordzee. Eb en vloed dringen dus ook tot ver het gebied in. Daarmee zorgt het water voor een grote dynamiek in het gebied, waaraan Saeftinghe haar grote natuurwaarde dankt.

Getij uit zee

De Westerschelde volgt het getij van de Noordzee: tweemaal daags staat het water hoog bij vloed en tweemaal laag bij eb. De Westerschelde heeft een trechtervorm: breed bij de zee, smal richting Antwerpen. Hierdoor wordt het opkomende vloedwater de hoogte in gestuwd. Het gevolg is dat Saeftinghe het grootste tijverschil van Nederland heeft: het water staat bij vloed gemiddeld 4,80 meter hoger dan bij eb. Bij springtij (extra hoog en extra laag water) kan dat zelfs oplopen tot ruim zeven meter.

Eb en vloed ‘reizen’ door het gebied: het is niet overal op hetzelfde tijdstip hoogwater. Zo valt het hoogwater te Antwerpen circa 2 uur later dan dat te Vlissingen en het laagwater wel 2,5 uur. Door de uitgestrektheid van het gebied is er zelfs binnen het gebied Saeftinghe nog een tijdsverschil waarneembaar.

Waterstand en het weer

De waterstand in Saeftinghe wordt, naast het getij, ook voor een belangrijk deel bepaald door de weersomstandigheden. Tijdens (vooral noordwester)storm wordt er veel meer water het gebied ingestuwd dan normaal. Dit geeft een verhoging op de waterstand die gemakkelijk een meter of meer kan bedragen. Het water zal bovendien veel eerder en ook veel sneller opkomen dan volgens de getijtafels is berekend. Bij springtij kolkt het schuimende water tot tegen de dijk en is Saeftinghe één onafzienbare watervlakte. Maar bij eb is het dan ook niet pluis; het water wil bij die wind nauwelijks wegtrekken en het gebied blijft onbegaanbaar.

Snel opkomende vloed

Het water in Saeftinghe komt verrassend snel op. Dat komt doordat bij de ‘ingang’, in de grote geulen, de platen behoorlijk hoog zijn en er hoge drempels zijn ontstaan langs de Westerschelde.

Vooral de grote geulen Hondegat en IJskelder  schieten in anderhalf tot twee uur ‘vol’. Terwijl de vloed volop in gang is, loopt het water in de ebstromen nog steeds af. Pas als de drempels worden overschreden, merkt men dat het water op komst is. Ineens komt er een vloedgolf van soms enkele tientallen centimeters hoog aan. Van het ene op het andere moment staat men dan tot kniehoog in het water. De stroomsnelheden zijn daarbij niet gering en zo'n geul is al spoedig niet meer te passeren. Dieper in het gebied, in de kleinere geulen, is een stijgsnelheid van meer dan een meter in een half uur heel normaal tijdens een gewoon tij. Hierdoor kan men in korte tijd geïsoleerd raken van de wal.  Een bezoek aan Saeftinghe moet daarom nauwkeurig gepland worden.

Brak water en kwel

Het water in Saeftinghe is brak: een mengsel van zout zeewater en zoet rivierwater. Het zoutgehalte in de Westerschelde verschuift met het getij: bij vloed dringt het zoute zeewater dieper landinwaarts, bij eb ligt de zoutgrens meer richting de kust. Ter hoogte van Saeftinghe is het water brak; ongeveer half zo zout als zeewater. In het gebied neemt het zoutgehalte grofweg af van west naar oost.

Het zoutgehalte in de bodem hangt af van de hoogte en van het bodemmateriaal. Doorgaans geldt: hoe hoger, hoe zoeter.  Sommige kommen, met een ondoorlatende kleilaag, zijn gevuld met zoet regenwater. Vanuit het omvangrijke zandlichaam van de Gasdam komt er veel zoet water uit de bodem omhoog: zoete kwel. Ook in enkele geulen zoals de Rottegeul is er vaak kwel. Dit manifesteert zich in heuse borrelende bronnen die midden in de ebstroom te zien zijn, met een doorsnee van soms wel dertig centimeter.